Levensverhaal
Laat ik beginnen met te zeggen, dat ik vrij jong was, toen ik de lagere school moest verlaten, omdat ik plaats moest maken voor andere jongens, daar ik al twee jaar de zogenaamde zevende klas had doorlopen. lk was toen amper dertien jaar.

Die lagere school was toen gevestigd achter de Tolbrug aan het Sint Pietersplein. Het hoofd der school was frater Dositheus en die gaf mijn ouders de raad om te proberen mij op het kantoor van de P.N.E.M. te plaatsen.

In het begin scheen dat te lukken en ik was zelfs al aangenomen door de onderdirecteur van de P.N.E.M. Ik moest ook nog naar de directeur en daar werd mij gevraagd of ik ook Frans, Duits en Engels kende, wat natuurlijk na een lagere school onmogelijk was. lk moest maar eens naar een andere school gaan en dan maar eens terugkomen.

Ik moet zeggen dat dit een moeilijke periode in mijn leven was. Die onzekerheid wat er met mij in de toekomst zou gaan gebeuren, liet mij niet met rust. Geld hadden mijn ouders niet en die moesten ook met hard werken een gezin met vijf kinderen in leven zien te houden, wat toen met een klein loon erg moeilijk was.

Waarom beeldhouwer?

Nu kan ik mij herinneren, dat in die jaren van de eerste wereldoorlog bij ons in de buurt een Belg met zijn gezin woonde. Het waren vluchtelingen uit Antwerpen, dat in die oorlogsjaren gebombardeerd werd met behulp van zeppelins. Deze Belg heeft toen in Den Bosch op een meubelfabriek gewerkt als beeldhouwer. In die tijd was ik niet weg te slaan bij die mensen, want die man bracht 's-avonds ook werk mee naar huis, om dat thuis klaar te maken. Ik was vol bewondering als ik zag dat die man in enkele uren een leeuwenkop of ornamenten voor een kast uit een stuk hout tevoorschijn toverde. Na de eerste wereldoorlog zijn die mensen weer naar Antwerpen vertrokken, maar toen ik in die moeilijke jaren nog eens terug dacht aan die beeldhouwer, heb ik aan mijn ouders te kennen gegeven, dat ik ook maar beeldhouwer wilde worden.

In mijn jeugd tekende ik al graag en soms probeerde ik ook met een spijker en een hamer en een stuk hardsteen te kappen, dat bij ons op de binnenplaats onder aan de trap lag, en dat mocht natuurlijk niet, daar kreeg ik voor op mijn broek.
De moeilijkheíd was echter: hoe word ik beeldhouwer?

Nu was in die tijd in Den Bosch het atelier voor kerkelijke kunst van de firma M. van Bokhoven en Jonkers. lk ben toen met mijn ouders naar de heer van Bokhoven gegaan om te vragen daar het beeldhouwen te mogen leren.
Zo gemakkelijk was dat ook weer niet, want die firma was al voorzien van een leerling en meer konden ze er niet gebruiken. Ik moest maar eens wachten tot er plaats kwam en in die tijd ben ik dan naar de ambachtsschool gegaan. Toen was dat nog de Koninklijke School voor Kunst, Techniek en Ambacht, of kort gezegd de K.T.A.

De directeur, Huib Luns, ging over alle drie de vakken en toen ik dan op de ambachtsschool werd toegelaten, hebben directeur en leraren vergaderd op welke afdeling ze mij het beste konden plaatsen om het "vak" beeldhouwen te leren. Toch bleef de bedoeling zo gauw mogelijk naar dat atelier van Bokhoven en Jonkers te gaan en dan de avondschool te gaan volgen.
Op die ambachtsschool ben ik terecht gekomen bij de heer Wijnen, een uitstekend leraar in de goudsmeedkunst. Op deze school kwam dat het dichtst bij mijn bedoelingen. lk kreeg daar de eerste boetseer en tekenlessen en ook in de praktijk, het drijven in koper. lk moest ook een dag per week naar de meubelmakerij van de heer Krybolder, waar ik de eerste beitel in mijn handen kreeg om iets in een stuk hout te steken. Dat was zo ongeveer op mijn veertienjarige leeftijd. Op die school ben ik een half jaar geweest en ik moet zeggen, dat ik daar heel veel heb kunnen leren, waar ik later veel gemak van heb gehad. Directeur en leraren deden hun uiterste best om mij zo ver mogelijk te brengen en er ging bijna geen dag voorbij of Huib Luns kwam eens kijken hoe het met mij ging en gaf mij dan vele aanwijzingen, waar ik ook veel van leerde.

Na dat half jaar kreeg ik het bericht dat ik geplaatst kon worden op het atelier, want die andere leerling had het opgegeven en ik was toen aan de beurt. Dat was in het jaar 1923 op 11 februari, net op carnaval-maandag. Iets verdienen was er nog niet bij, want ik moest nog veel leren, maar 50 cent zakgeld per week kreeg ik toch wel.

Nu moet ik toch wel even aan mijn ouders denken, die toch wel iets konden gebruiken om mede in het onderhoud te voorzien en hoewel de zekerheid bestond, dat er in de eerste jaren niet op gerekend kon worden dat ik zou gaan verdienen, hebben ze er nooit een woord over gesproken en er alles voor over gehad om mij een goed vak te laten leren.

Vakman of Kunstenaar?

Ik heb het steeds maar over een "vak" en ik heb er ook nooit aan gedacht om een kunstenaar te worden. Hoofddoel was om mij te verzekeren van een bestaan door middel van het "vak" beeldhouwen. In de tijd was dat nog mogelijk, want er waren in Nederland vele ateliers, die volop van werk voorzien waren, meestal ter verfraaiing van de vele neogotische kerken, die rijk gemeubileerd werden met altaren, preekstoelen, biechtstoelen, communiebanken en dergelijke kunstwerken. En ateliers met 10 of 15 beeldhouwers waren geen zeldzaamheid. In Den Bosch was dat dan Van Bokhoven en Jonkers, terwijl van der Geld in die tijd al was opgeheven. Er was al een teruggang te bespeuren van wat er later allemaal zou gaan gebeuren. In ieder geval ben ik op het atelier gekomen en ik moet zeggen dat ik daar van alles gedaan heb, wat mij later heel goed van pas is gekomen. lk mocht al vlug een beeld mee gaan kappen, waar de beeldhouwer Jonkers de modellen voor maakte. De andere beeldhouwers waren de uitvoerders. Dat was voor mij een echte vruchtbare tijd.

Vijf dagen per week ging ik dan 's-avonds naar de avond tekenschool van half zeven tot negen uur. Overdag leerde ik de praktijk en 's-avonds leerde ik het boetseren bij beeldhouwer Jacq. Goossens, tekenen bij Piet Slager en decoratief tekenen bij de kunstschilder Andre Verhorst. Het was wel eens touwtrekken onder de leraren waar ik het eerst op de lessen moest komen, maar er waren maar vijf avonden per week en ik besloot twee avonden boetseren, twee avonden tekenen en een avond decoratief tekenen. Dat laatste helaas te weinig, wat Andre Verhorst wel eens vervelend vond, maar het kon niet anders. Huib Luns (vader van Jozef Luns) was inmiddels directeur geworden aan de academie in Amsterdam en in de plaats kwam directeur Mensen later Dammerau. De twee laatsten waren op de technische vakken gespecialiseerd, terwijl Huib Luns een kunstenaar was. De directeuren bemoeiden zich dan ook niet meer met diegenen, die de "kunst" beoefenden.

Van mijn 14e tot mijn 23ste jaar heb ik de avondschool bezocht, zo ongeveer negen jaren. Op de dag nog steeds in de praktijk en 's-avonds naar school en ik verdiende al een beetje, namelijk 48 ct. per uur.

Verkering

Zoals bijna iedere andere jongen kreeg ik ook verkering en wilde ook wel eens aan trouwen denken. Mijn moeder was inmiddels al op 49-jarige leeftijd overleden en aan trouwen kon moeilijk gedacht worden, want intussen was het werk op het atelier steeds minder aan te worden en moesten er per week steeds minder uren gewerkt worden, dus minder inkomsten. De crisisjaren waren begonnen. Enkele beeldhouwers waren al weg gegaan en hadden nieuw werk gevonden aan de restauratie van de St. Janskerk. Toen de gelegenheid daarvoor rijp was, ben ik ook eens naar de St. Janskerk gestapt, omdat ik al die tijd de St. Janskerk al bewonderd had om haar rijkdom aan beelden en ornamenten, had ik ook wel zin om daaraan te mogen werken. Dat was 12 februari 1934, ook op carnaval-maandag. Gelukkig, want na enkele jaren ik ook het atelier van Van Bokhoven en Jonkers van het toneel verdwenen.

Het werk van de St. Janskerk stond toen onder leiding van architect van Heeswijk, waar ik ook veel aan te danken had. Hij was zeer geïnteresseerd in mijn werk en vertrouwde veel aan mij toe. In augustus van dat eerste jaar aan de St. Jan ben ik ook getrouwd, omdat ik meer vastigheid kreeg. Het werk was niet zo gevarieerd zoals op het atelier en ik ging dat aanvullen door thuis in de avonduren dingen te ontwerpen die ik aardig vond en omdat de St. Janskerk van steen was opgebouwd moest ik thuis de oefening met het mooie materiaal, hout, bij zien te houden.

Oorlogstijd

Tot de tweede wereldoorlog kwam en ik op tweede Paasdag 1939 werd gemobiliseerd. Als ik eens per veertien dagen twee dagen verlof had, mocht ik toch wel aan de St. Jan komen werken, omdat de kostwinnersvergoeding (f17,50 gulden) aanmerkelijk minder was dan mijn inkomsten aan de St. Janskerk en ik blij was met een kleine bijverdienste. Er waren in die tijd ook al twee beeldhouwers overleden, dus was de directie blij dat ik nu en dan eens kwam werken.

Op 10 mei 1940 is toen de grote strijd begonnen, voor mij aan de Maaslinie in Kessel (Limburg). Toen werd ik krijgsgevangene en kwam na veel omzwervingen terecht in Neu-Brandenburg, 120 km N.O. van Berlijn. Gelukkig voor mij ging het goed met de Duitse opmars en er kwamen zoveel krijgsgevangenen, dat ze er geen raad mee wissen en stuurde na zes weken de Nederlanders naar huis.

Aan de St. Janskerk mochten de steen- en beeldhouwers wel doorwerken, maar alleen in de bouwloodsen, dus niet plaatsen en stellen aan het werk buiten. Al het klaargemaakte werk werd in een der loodsen opgesteld, vandaar de naam "stelloods" wat nu brandweerladderloods wordt genoemd.
In 1942 moest ik me weer melden bij het Duitse leger, omdat het niet meer zo goed ging. lk ben niet gegaan en er maar op gegokt, of ze me wel of niet kwamen halen.
Dat is gelukkig niet gebeurd, al was het moeilijk om aan bonkaarten te komen, want ik mocht er eigenlijk niet zijn. Gelukkig waren daar ook weer mensen voor, die daarvoor wilden zorgen. Soms sloeg de schrik mij om het hart als er eens een Duitse soldaat in de bouwloods kwam, maar gelukkig waren dat soldaten, die ook belang stelden in het werk aan de St. Janskerk.

Na de oorlog is alles weer gewoon doorgegaan. Architect Van Heeswijk kwam te overlijden en architect P. van Kessel werd zijn opvolger. In 1951 kwam de onverwachte reorganisatie, die volgens architect Van Kessel nodig was, mede door de vernieuwing van het dak van de St. Janskerk en al het beschikbare geld daarvoor bestemd was. Al het personeel werd ontslagen: ik eveneens.

De moeilijkste periode van mijn leven is toen begonnen, doordat ik als beeldhouwer totaal onbekend was, daar ik steeds voor vastgestelde doelen had gewerkt. lk heb nog geprobeerd bij andere restauraties ingeschakeld te worden, maar dat is niet gelukt. Er zat niets anders op als te proberen zelf aan opdrachten te komen om aan het werk te blijven en ben dan ook op 1 januari 1951 begonnen als zelfstandig beeldhouwer.

's-Avonds ging ik op les voor het middenstandsdiploma en slaagde hiervoor. Verder was het zaak om aan werk te komen. lk mocht gelukkig van de restauratie-commissie het atelier in de bouwloods blijven gebruiken, waar ik al heel blij mee was. Zo nu en dan moest ik ook eens wat aan de St. Jan doen, maar dat was niet genoeg om van te leven. lk wist toen wat het betekende om als beeldhouwer door het leven te gaan. In het begin erg moeilijk met heel weinig inkomsten, maar ook een periode, waarin ik alles wat ik in mijn jeugdjaren geleerd had, wist toe te passen.

Doordat de opdrachten soms van heel verschillende aard waren, was mijn werk ook erg gevarieerd, al bleef het karakter van het beeldhouwwerk in de sfeer hangen van het atelier en de St. Janskerk. Ik heb er niet veel voor gevoeld om mee te gaan doen in de moderne, hedendaagse of abstracte kunst. Waarom zou ik. lk beleefde immers toch mijn genoegen aan het werk zoals ik het geleerd had; waarom mij inzetten voor het onbekende en mijn opdrachtgevers waren immers tevreden, iets waar ik toch ook rekening mee moest houden. Men ontdekte dat er toch iets persoonlijks in mijn beeldhouwwerk te vinden was en daar was ik al lang gelukkig mee. Ën de voldoening dat ik op eigen kracht door de moeilijkste jaren van mijn leven ben geworsteld, is mij ook veel waard.

Hulde daarom aan mijn vrouw, die mij steeds in moeilijke tijden wist bij te staan. In het jaar 1963 is de restauratie van de St. Jan weer op volle toeren gaan draaien en kon ik toen ook het werk voor de St. Jan tot mijn opdrachten gaan rekenen. Na het overlijden van de architect Van Kessel werd als architect van de St. Jan de heer Teering aangesteld, welke al eerder als medewerker van de heer van Kessel aan de St. Jan verdienstelijk werk deed. De inkomsten werden beter en voor mij brak als het ware een gouden tijdperk aan. De kinderen gingen het huis uit en ik kreeg het toen veel beter.

‘s-Hertogenbosch, 23 juli 1973

Toen de Jacques de Bresser dit ‘levensverhaal’ schreef was hij 65 jaar, en vertrouwde zijn kinderen toe dat hij het wat kalmer aan wilde gaan doen. Niets is echter minder waar, want hij bleef, tot het gereed komen van de restauratie in 1985, aan de Sint-Jan werken. Niet lang daarna, op 30 september 1986, stierf hij op 78-jarige leeftijd. Hij heeft een schat aan kunstwerken nagelaten.